En ook het gevangeniskarreke rijdt verder. Er zitten drie
jonge mannen in, die hemel-weet-wat uitgestoken hebben, maar het zal toch
wel erg genoeg geweest zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon
leven gaan zitten. Ze rijden een koer op, worden uit het karretje geduwd
en de zware poort slaat achter hen dicht. Ze staan in een lange witte gang
waar veel reglementen met punaiskes vastgestoken hangen. Een man in een
uniform rammelt met een bos sleutels, en twee andere geüniformeerden
duwen hem onverschillig voort. Dat dichtslaan van de poort en het voorthobbelende
karreke over de kassei, is het laatste dat ze van de wereld horen, Ze krijgen
een nummer. En nu zijn we dood, peinzen ze.
Louis Paul Boon; De voorstad groeit.
1 Inleiding
In het werk van Foucault "discipline, toezicht en straf" staan diverse
transities in het strafrecht centraal. Deze transities vinden allen plaats
in de overgang van de Klassieke naar de Moderne tijd. Een ervan is de nadruk
die in de Klassieke periode nog bij het lichaam van de misdadiger ligt
(en waar de souverein zijn allesomvatende macht op tentoonstelt) en die
verschuift naar de ziel van de misdadiger die genezen moet worden.
Een andere transitie is het sinds de Franse Revolutie toenemende belang
van discipline als ordenend principe, niet alleen in het strafrecht maar
ook in de samenleving als geheel. Het zijn allen overgangen die in het
kielzog staan van de transitie die centraal staat in dit boek: het verdwijnen
van de lijfstraf ten gunste van de gevangenis. Foucault verklaart dit verdwijnen
van de lijfstraf en ontstaan van de gevangenis door een zo breed mogelijk
beeld van de geschiedenis te schetsen.
De transitie die centraal staat in dit opstel is de verschuiving van
volk naar samenleving. Dit is de verandere rol van het de menigte ofwel
de niet -direct belanghebbenden in het proces van het strafrecht en de
executie ervan. Foucault duidt de menigte in de eerste gedeelte van zijn
boek aan met de term "het volk", in het tweede gedeelte, wanneer de Moderne
tijd wordt beschreven, wordt eerder gesproken van samenleving. De betekenis
van deze transitie komt minder aan de oppervlakte drijven dan de betekenis
van de meeste andere. Alleen al daarom is het de moeite deze
nader te bezien. Aan het eind van dit opstel zal blijken of de geboorte
van de gevangenis dor deze transitie in een ander daglicht wordt gesteld.
In dit opstel zal worden beschouwd hoe de rol van de massa verandert
van een betekenisloos maar invloedrijk volk naar een samenleving die betekenisvol
is, maar tegelijkertijd haast invloedsloos. Hierbij moet alvast van tevoren
worden aangetekend dat het begrip 'volk' tegenwoordig veel meer dan vroeger
is verbonden met het idee van de natie-staat. Hoewel Frankrijk meer dan
andere gebieden in Europa al ten tijde van de Renaissance de vorm van een
staat aanneemt zoals wij de staat nu kennen, kon voor 1815, gelet op de
afwezigheid van een stelsel van diverse staten, toch niet worden gesproken
van Frankrijk als natie-staat. Daarmee kan evenmin worden gesproken van
het "Franse volk", wie daartoe behoort is tot het einde van de Franse revolutie
en het begin van de codificatie volstrekt onduidelijk.
Het volk dat centraal staat in dit opstel is dan ook niet verbonden
met het idee van de natiestaat. Volk in dit opstel is de menigte, de massa,
de 99% van de mensen die niet een uitvoerende taak hebben en tevens geen
misdadiger zijn en in wezen niets met het strafrecht te maken hebben maar
zich er toch op een bepaalde manier toe verhouden. Het is de voorloper
van de samenleving; de samenleving in de Klassieke tijd.
In deel 1 van dit opstel komt het volk aan de orde en zijn invloed
in de inrichting van de maatschappij in de klassieke tijd als geheel en
zijn invloed in het strafproces in het bijzonder. Het tweede deel zal ingaan
op de invloed van de samenleving van de moderne tijd op de maatschappij
en het strafproces.
2 Klassieke periode;lijfstraf, vorst en volk
In het eerste hoofdstuk van "Discipline toezicht en straf" staat de lijfstraf
centraal. Bij een enigszins ernstige straf behoort een zekere mate van
lijfstraf. Tot aan de Franse Revolutie (of beter: tot na de Franse Revolutie)
speelt de lijfstraf een centrale rol in het strafrecht. Paragraaf 2.1 is
een inleiding in de lijfstraf. Daar zal worden nagegaan wat de feitelijke
handelingen zijn die het volk verricht bij een openbare strafvoltrekking.
Die feitelijke handelingen komen voort uit de toebedeling van formele macht.
In paragraaf 2.2 zal worden stilgestaan bij de formele macht van
het volk. Onder de formele macht wordt in dit opstel verstaan: de macht
die aan het volk is gedistribueerd door het systeem waarin het volk is
georganiseerd. De informele invloed vloeit direct voort uit de formele
macht van het volk in het strafproces. Deze informele invloed staat centraal
in paragraaf 2.3. In paragraaf 2.4 volgt de conclusie uit dit alles: een
antwoord op de vraag hoe groot de formele en materiële invloed van
het volk is op de executie van een vonnis.
2.1 De lijfstrafceremonie
Foucault beschrijft de voltrekking van de lijfstraf, die in de Klassieke
periode de belangrijkste vorm van straf was, als " een ritueel"
1 Bij lijfstraffen is alleen de bestraffing zelf openbaar. Op pagina 52
signaleert Foucault dat de gehele strafprocedure, tot aan het vonnis toe,
een geheime procedure is, zowel voor het publiek als voor de beklaagde
zelf. De tortuur die een bekentenis moet afdwingen, vindt niet plaats
op het marktplein maar in kerkers onder de grond.De beschuldiging blijft,
tot aan het vonnis, zelfs voor de beschuldigde geheim. Pas
daarna vindt de openbare bestraffing plaats. In deze paragraaf komt aan
de orde wat het volk moet aanschouwen tijdens de terechtstelling. Op welke
manier het volk uiting geeft aan de haar toekomende taak van het aanschouwen
van de terechtstelling komt in het navolgende aan bod.
Foucault geeft diverse kenmerken van de openbare strafvoltrekking als
waarheidsverkondiging die in de achttiende eeuw zijn ontstaan.
2 Nadat
de waarheid al dan niet door middel van tortuur is gevonden en het vonnis
is geveld, wordt de schuldige de openbaarheid in gebracht alwaar de waarheid
moet worden verkondigd.
Allereerst wordt de schuldige de boodschapper van zijn eigen veroordeling.
Hijzelf is degene die het vonnis openbaar maakt, door middel van het dragen
van een bord met daarop het vonnis. De schuldig bevondene moet stilstaan
op elk kruispunt, alwaar de uitspraak moet worden voorgelezen. Voor alle
kerkportalen houdt de schuldige zijn openbare schuldbelijdenis. Aan de
voet van het schavot wordt het vonnis dan nomaals voorgelezen. Het volk
aanhoort het vonnis. Het is zijn rol om de schuldbelijdenis aan te horen,
het vonnis te lezen dat op het bord om de misdadiger zijn nek hangt en
om de tekenen op zijn lichaam van de gerechte straf te aanschouwen en de
misdadiger te volgen tot aan het schavot. Het volk wordt min of meer aangezet
tot hoon van de veroordeelde, wat wellicht de beste manier is om hem van
zijn eer te beroven, door middel van het tentoonstellen van de veroordeelde
als een 'misdadiger'.
Vervolgens is het volk getuige van nog een openbare schuldbelijdenis
en een spontane publieke bekentenis van de misdadiger. Het is aan het volk
om de waarheid die zich nu in volle glorie aan hem toont, op te nemen als
zodanig. De ware lijfstraf moet de waarheid aan het licht brengen en vormt
als zodanig de voortzetting van de tortuur voor de ogen van het publiek
3 .
Hierin schuilt ook de rechtvaardiging van de lijfstraf; in het openbaar-maken
van de waarheid van de misdaad via het lichaam van de misdadiger.
Na het bekendmaken van het vonnis vindt de voltrekking van de straf
plaats. Deze wordt nauw afgestemd op de misdaad. Ook dit kan niet anders
worden gezien dan in het licht van de toehoorders. Het is kennelijk van
belang voor de uitvoering van een straf dat men niet alleen kennis neemt
van de voltrekking van een vonnis maar ook van de misdaad. Hiertoe
wordt de misdaad symbolisch in de lijfstraf verwerkt. De tong van de godslasteraar
wordt doorboord, de ontuchtige verbrand en de moordenaar de hand afgehakt
4
, geeft Foucault als voorbeeld: " De misdaad wordt door justitie voor ieders
ogen opgevoerd in de lijfstraf, de waarheid wordt openbaar gemaakt en de
misdaad met de dood van de schuldige teniet gedaan."
5 (cursivering SP).
Het volk is bij het aanschouwen van de foltering en het zien van het
lijk dat tot dagen daarna nog op het schavot blijft liggen, naast
toeschouwer tevens slachtoffer. Het wordt geterroriseerd door de executie,
omdat het volk weten moet wat hem te wachten staat als hij zo handelt als
de misdadiger. Weten is ook niet voldoende.
6 Het volk moet bang worden
gemaakt, doordat zij de omniversele macht van de soeverein met eigen ogen
ziet.
Deze kenmerken schetsen echter niet volledig wat feitelijk gaande is
bij een openbare strafexecutie. Naast het aanschouwen van de straf als
getuige en slachtoffer, neemt het volk ook deel aan de strafvoltrekking.
¨De veroordeelde wordt langdurig rondgeleid, tentoongesteld, vernederd
en meerdere malen herinnerd aan zijn gruwelijke misdaad, is overgeleverd
aan de hoon en soms aan de agressie van de omstanders.
7 ; Hier
gaat het volk verder dan in het belang is van de souverein. De soeverein
heeft niet meer nodig dan de enkele aanschouwing van zijn totalitaire macht.
Het volk neemt wraak op de misdadiger en de soeverein weet zich ongelukkigerwijze
gesteund in zijn eigen wraak op de misdadiger. Deelname aan het strafproces
werd volgens Foucault in de klassieke periode ¨alleen nog maar gedoogd
om de mogelijke uitwassen en usurpatie van de straffende macht in te perken
8
De soeverein in de klassieke periode staat volgens Foucault voor een enkel
moment gewelddadigheden toe om ze vervolgens onmiddelijk in te perken door
zijn eigen privileges ertegenover te stellen.
9 Voor het volk is juist als zij de gelegenheid krijgt gewelddadigheden
te verrichten jegens de misdadiger, het moment aangebroken ¨om zich
tegen de straffende macht te keren.
10 Dit is het punt waarop het
volk informeel invloed heeft op de executie van de misdadiger. Hierop zal
worden teruggekomen in paragraaf 3. Paragraaf 2.2 zal stilstaan bij de
formele macht van de souverein.
2.2 De formele macht van vorst en volk.
De openbare voltrekking van de lijfstraf is een ceremonie waarin de
macht zich manifesteert
11 en in een absolute monarchie ligt die macht
volledig bij de koning. De lijfstraf is een middel voor de souverein om
zijn absolute macht te gelde doen maken. De koning heeft een belang bij
lijfstraf voor misdadigers omdat hij door de misdaad van de gestrafte is
aangetast in zijn souvereiniteit. Foucault ziet twee manieren waarop de
vorst getroffen wordt: zowel persoonlijk als lichamelijk. Persoonlijk omdat
de wet de wil van de souverein is en zijn wil niet wordt nageleefd, en
lichamelijk omdat de kracht van de wet de kracht van de vorst is. Wie de
wil en de kracht van de vorst schendt, heeft hem persoonlijk beledigd.
Dit is een belangrijk uitgangspunt omdat het de juridisch-politieke
noodzaak van het straffen van het lijf verklaart. Foucault citeert Risi
die stelt dat het overtreden van dat wat bij wet is verboden, betekent
dat: "het recht van de heerser geweld is aangedaan en de waardigheid van
zijn persoon [is] aangetast."
12 De straf die is opgelegd, houdt verband
met het recht en de waardigheid van de heerser die door de misdaad is aangetast.
De straf is ten eerste een vergoeding voor de aangerichte wanorde en het
slechte voorbeeld en ten tweede de persoonlijke en publieke wraak van de
koning voor een persoonlijke belediging.
13 De aangerichte wanorde en
de persoonlijke belediging moeten worden uitgewist door een onontkoombare
en allesvernietigende manifestatie van de macht van de souverein, die formeel
gezien, absoluut is.
Foucault stelt dat het volk het recht heeft om getuige te zijn
bij het voltrekken van de straf.
14 Dit recht wordt volgens Foucault
ook opgeeist. Het voltrekken van een lijfstraf in het geheim was een voorrecht
voor degene die hem onderging. Wanneer een lijfstraf niet kon worden bijgewoond,
vermoedde men dat de straf niet in alle hevigheid of op een ander persoon
werd uitgevoerd. Het volk eist het recht op de foltering en de gefolterde
te zien. Het volk neemt zelfs deel aan de lijfstraf en eist dat recht ook,
doordat de misdadiger langdurig wordt rondgeleid, tentoongesteld, vernederd
en weggehoond.
15 Stellen dat deze vorm van publieksparticipatie een recht is van het
volk, lijkt mij te ver gaan. De Franse monarchie was voorafgaand aan de
revolutie immers een volstrekt totalitair systeem. De deelname van de omstanders
is eerder te beschouwen als een gewoonte waarvan kon worden afgeweken,
met instemming van de souverein. De souverein is verstrekker van de geste,
direct of indirect, en kan deze op elk willekeurig moment weer intrekken.
Dat het volk in staat is de geste af te dwingen is eerder een teken
van de op handen zijnde revolutie dan dat het als een recht is ingebakken
in het totalitaire regime van de Zonnekoning en zijn opvolgers.
Elke formele rol in de vorm van een recht, die het volk zou worden
toebedeeld zou een beperking zijn op de souvereiniteit van de koning. In
een absolute monarchie is het dan ook ondenkbaar dat het volk een dergelijke
macht toekomt. Waar het volk een rol heeft in de strafvordering, is dit
ofwel in de praktijk zo ontstaan en is er sprake van een discrepantie tussen
de inrichting van het systeem en de praktijk, ofwel is er slechts sprake
van een toezegging bij gratie van de koning, die op elk moment weer kan
worden ingetrokken. Formeel komt het volk geen enkel recht toe in een absolute
monarchie. Plichten heeft het volk daarentegen wel bij de uitvoering van
een vonnis, namelijk de plichten die afgeleid zijn van de algemene plicht
te doen wat de souverein opdraagt.
De plicht van het volk hangt nauw samen met de al eerder genoemde bestaansredenen
van de lijfstraf en de openbare executie ervan. De lijfstraf functioneert
als reactie op een poging tot schending van de souvereinieit van
de vorst. Daarbij toont ze de souvereiniteit van de vorst in vol ornaat
aan het publiek. Zij "spreidt voor ieders ogen een kracht tentoon die de
minachting voor de souverein in de misdaad moet verpletteren"(cursivering
SP). In de uitoefening van de straf is het van groot belang om zo overdadig
mogelijk de gedane misdaad te bestraffen, niet zozeer om de enkele misdaad
maar om de daarmee gepaard gaande schending van de souvereiniteit ten overstaande
van eenieder teniet te doen. De alomtegenwoordigheid van de souverein moet
voor iedereen voelbaar worden gemaakt. Het medium ervoor is het lijf van
de misdadiger. De politieke functie van de lijfstraf
16 is niet een schending van het recht herstellen, maar het tentoonstellen van macht.
17 De misdaad moet overtroffen worden.
Lijfstraffen moeten aan twee eisen voldoen, die nauw verwant zijn aan
de toeschouwende taak van het volk. De lijfstraf moet op het slachtoffer
duidelijk zichtbaar zijn. Dit zichtbaarheidsve-reiste houdt nauw verband
met de rol die het volk speelt in de veroordeling van het slachtoffer.
Het is immers het volk dat de lijfstraf van het lichaam van de veroordeelde
moet aflezen. Het slachtoffer moet eerloos worden gemaakt, door littekens
of door het spektakel waarmee de bestraffing omgeven is.
Tegelijkertijd met het lijden van de misdadiger moet justitie ten overstaande
van de niet-betrokkenen triomferen in de opgelegde straf. Het gekrijs van
de gefolterde is tegelijkertijd het ceremonieel van justitie in haar volle
glorie, die het lichaam vervolgt tot voorbij elk mogelijk lijden. Er wordt
als het ware een oneerlijk gevecht uitgevoerd voor het oog van de toeschouwer.
De toeschouwer moet zien zowel hoe justitie triomfeert als het slachtoffer
ten onder gaat. Het gevecht van de beoordeling is een ceremonieel omdat
het volk de ceremonie moet gadeslaan. De triomf van justitie ten koste
van de misdadiger kan niet plaatshebben ergens in een erker ondergronds.
De toeschouwer is een cruciaal onderdeel in de ceremonie van de bestraffing.
Die heeft als taak de macht van de souverein en de onmacht en tenondergang
van de misdadiger te aanschouwen.
Uit het belang van de tentoonstelling van oneindige macht van de vorst
bij een openbare uitoefening, kan worden afgeleid hoe belangrijk de taak
van het volk is bij het voltrekken van een lijfstraf. Om die macht tentoon
te stellen is het volk nodig als toeschouwer, als deelnemer en als slachtoffer.
Zij zijn degenen die volledig moeten worden overtuigd van de alomtegenwoordigheid
en de kracht van de souverein. Het is hun plicht om de alomtegenwoordigheid
van de souverein tot zich door te laten dringen; door de vernietiging van
de misdadiger en de triomf van het justitiële apparaat te aanschouwen,
door zelf aan de vernietiging deel te nemen en door de terreur van de vorst
in volle omvang tot zich te laten doordringen.
2.3 De informele invloed van het volk.
Uit het voorgaande bleek het belang van het volk op drie wijzen,
Het is tegelijkertijd getuige en slachtoffer van een terechtstelling
en op het moment dat het volk de gelenheid krijgt zijn wraak op het slachtoffer
uit te oefenen, is het tevens deelnemer.
18 Op het moment dat
het volk de kans krijgt deel te nemen, kan het effectief ingrijpen in de
loop van gebeurtenissen. "Het kan een terechtstelling die onrechtvaardig
wordt geacht verhinderen, het kan een veroordeelde losrukken, zich van
de straffende macht afkeren, het kan een veroordeelde losrukken uit de
handen van de beul, met geweld gratie afdwingen, de scherprechters verjagen
of zelfs aanvallen, het vonnis verketteren en de rechters vervloeken"
19,
zijn voorbeelden die Foucault geeft van mogelijke "schavotberoeringen".
Daarnaast geeft hij meer elementaire vormen van oproer als voorbeeld, zoals
aanmoedigen en toejuichen.
Met dat het bijwonen van de terechtstelling als plicht kan worden opgevat
is het niet opmerkelijk dat het volk enige interesse toont in de executie
van een vonnis. Foucault ziet het bijwonen van de executie echter niet
als een plicht maar als een recht. Dat maakt dat hij een verklaring nodig
heeft voor waarom het volk massaal komt opdagen.
Naast de lust in spektakel, een verklaring die wel aannemelijk is maar
haaks staat op het verzet dat geboden werd tegen de strafvoltrekking,
verklaart Foucault dit met de interesse van het volk in de waarheid. Nu
de misdadiger niet meer te redden valt en zijn leven al afgelopen is, toont
zich de waarheid. Het volk is geïnteresseerd in die waarheid, omdat
de mogelijkheid bestaat dat de rechters het mis kunnen hebben.
20 Als de misdadiger nog voor het begin van de gruwelijkste folteringen komt te
overlijden, heeft God hem dan niet in bescherming willen nemen, bijvoorbeeld
omdat de gestrafte eigenlijk onschuldig was? Het volk wil de uitslag van
het gevecht tussen misdadiger en justitie zien. Zij willen "de misdaad
en de onschuld, het verleden en de toekomst, het aardse en het eeuwige
ontraadselen".
21 Deze verklaring lijkt niet plausibel in het licht van de schavotberoeringen.
De mogelijkheid van een ambigue uitslag in de strijd tussen justitie en
misdadiger maakt het onwaarschijnlijk dat de rechterlijke macht een belang
heeft bij de openbare executie. Waarom zou men een schuldige tentoonstellen
als dat het risico met zich meebrengt van de wanorde die zelfs de rechters
kan treffen? Een dergelijke tentoonstelling van de misdadiger draagt
niet bij aan de eigenlijke taak van de lijfstraf: de oneindige macht van
de souverein te laten gelden.
Volgens Foucault komt het volk in opstand wanneer de monarch uit veiligheidsoverwegingen
een strafvoltrekking geheimhoudt en wellicht is dat voor Foucault de reden
waarom lijfstraffen in het openbaar plaatsvinden. Deze verklaring is echter
niet aannemlijk, nu de soeverein volgens Foucault wel in staat is om de
vervolging en het vonnis geheim te houden. Deze verklaring is des
te vreemder omdat de angst voor de wanorde die het volk kan stichten op
pagina 53 de reden was voor een het geheimhouden van vervolging en veroordeling.
Het is niet waarschijnlijk dat een absolute macht zich in een vork sluit
dat ofwel de straf openbaar is en het volk zich verzet tegen de strafvoltrekking
ofwel dat het volk in opstand komt tegen het geheim houden van de strafvoltrekking.
Waarschijnlijker is, dat de vorst er vrede mee heeft dat er een schavotberoering
kan ontstaan bij een openbare voltrekking, omdat als deze uit de hand loopt,
toch hardhandig de kop kan worden ingedrukt. In dat geval heeft de souverein
van de Klassieke tijd de kracht van het volk onderschat. De Franse Revolutie
lijkt deze monarchale onderschatting van het volk te bevestigen.
2.4 Conclusie
In de klassieke periode heeft in elk geval in Frankrijk het volk geen enkele
formele invloed. Dit omdat de macht in deze periode zich volledig concentreert
bij de monarchale dynastie van de Bourbons, die Frankrijk tot aan de Franse
Revolutie bestuurden. Formeel heeft het volk geen enkele invloed op de
inrichting van de samenleving. Tegelijkertijd is het volk een instrument
bij openbare executies. Het volk is de taak opgelegd de misdadiger te honen
en uit te jouwen. Terwijl het volk formeel niets in te brengen heeft, is
zijn informele macht ten aanzien van het strafproces juist door de taak
die het heeft opgelegd gekregen, aanzienlijk. Door opstandjes en oproer
kan zij immers de voltrekking van de straf beïnvloeden.
3 Moderne tijd; gevangenis, discipline en samenleving
De overgang van de Klassieke naar de Moderne tijd gaat gepaard met een
ander woordgebruik dat voor het onderwerp van dit opstel van belang is.
De term ¨het volk¨wordt in het tweede deel van het boek niet meer
gebruikt. De reden daarvoor is dat de discipline de massa niet op een grote
hoop gooit, maar deze juist indeelt in reeksen individuen. Terwijl de massa
als geheel anoniem is en als zodanig een volk vormt, vormt het geheel van
individuen niet een volk maar een samenleving, het samenleven van reeksen
individuen.
Het derde deel van dit opstel is opgesplitst in drie paragrafen. De
eerste paragraaf zal gaan over de gevangenis als praktische uitwerking
van een disciplinair instrument. De tweede paragraaf gaat in op de formele
rol die de samenleving heeft in het moderne strafprocesrecht en strafexecutie.
De derde paragraaf zal ingaan op de informele rol van de samenleving daarin.
Het derde deel bevat in tegenstelling tot het tweede deel geen conclusie
omdat die zou overlappen met deel 4, de algehele conclusie.
3.1 de gevangenis
De Moderne periode die na de Franse Revolutie aanbreekt, houdt voor de
lijfstraf een vrij abrupt einde in. Lijfstraf wordt na de Franse Revolutie
beschouwd als mensonwaardig en moet alleen al daarom worden afgeschaft.
22
De lijfstraf wordt in de loop van de negentiende eeuw vervangen door de
gevangenis als disciplinair medium. Dit houdt echter niet in dat de gevangenis
uit de lucht is komen vallen. De gevangenis bestond ten tijde van de Klassieke
periode al. De overgang naar de gevangenis als centrale straf, is ondanks
deze overlap niet vanzelfsprekend.
23 Hiervoor draagt Foucault
twee redenen aan. Gevangenis werd in de Klassieke periode meer beschouwd
als een inzekeringstelling dan als een straf. Daarnaast werd de gevangenis,
althans in Frankrijk, in verband gebracht met de koninklijke willekeur
en excessen van de souvereine vorst.
24 De overgang van de lijfstraf naar de gevangenisstraf is volgens Foucault
niet zozeer een overgang naar een abstractere en amorfere vorm van straffen
alswel een overgang van de ene kunst naar de andere.
25 De een is niet
minder ingenieus dan de andere. Er zit geen progressie in. Foucault betitelt
hier lijfstraf nadrukkelijk als niet-barbaarser of minder menselijk. Een
symptoom van deze overgang ziet Foucault in de vervanging van de keten
van dwangarbeiders door een afgesloten celwagen.
26 De rij gevangenen
die en plein public geketend voorbijtrekt aan de stad trekt de aandacht
van het volk. Gevangenen worden uitgejouwd en er ontstaan opstootjes. De
stoet neemt het karakter van een volksfeest aan. De Julimonarchie schaft
de keten af om dezelfde redenen als eerder de lijfstraf: "het is in strijd
met onze zeden [...] de bevolking [kan] er geen enkele lering uit trekken
[...]"
27 Om gevangenen te vervoeren wordt een rijdende gevangenis
ontworpen, waar de gevangene continu onder toezicht staat en zijn medegevangenen
en de buitenwereld niet kan zien. Net als bij een reguliere gevangenis
is de gevangene niet alleen afgesloten van de buitenwereld, de buitenwereld
is ook afgesloten van de gevangene. De buitenwereld kan ook de gevangene
niet zien, waarmee het transport van dwangarbeiders een geheimzinnig en
luguber karakter krijgt, waarvan men hoopt dat het een heilzame en blijvende
indruk achterlaat op de toeschouwers.
Strafrechtelijke detentie heeft verschillende kenmerken, die zelfs terug
te vinden zijn in de gevangeniswagen, die een schaalmodel van het
panopticum is. Foucault noemt deze kenmerken "de 7 maximes voor een juiste
penitentiaire orde".
28 Detentie dient het individu te transformeren
tot een dat zich beter gedraagt en dient de gevangene te isoleren op basis
van strafrechtelijke ernst, leeftijd, karakter enz.
29 Daarnaast
moet het verloop van de straffen worden aangepast afhankelijk van de door
de individu behaalde resultaten en moet arbeid een essentieel onderdeel
vormen van de socialisatie van het individu.
30 Verder moet de gedetineerde
worden opgevoed, dient het gevangenisregime gecontroleerd te worden en
moet de gevangenisstraf worden gevolgd door controle en bijstand, een vorm
van reclassering.
31 Deze kenmerken zijn nauw verbonden met het disciplinaire karakter van
de gevangenisstraf. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw is
de discipline de algemene formule voor overheersing geworden. Kenmerken
van de discipline; clausuur, parcellering, functiegebonden locaties en
hierarchie, zijn terug te vinden in de ordenende principes van de gevangenis.
De disciplinerende technieken veranderen een gevaarlijke, opstandige massa
in een overzichtelijke en functionele veelheid.
32 Individuen worden
benoemd en onderling verdeeld door te circuleren in een netwerk van onderlinge
betrekkingen. Het is en eerste voorwaarde van controle en "vormt de basis
voor een microfysica van wat we de 'cellulaire macht' zouden kunnen noemen".
33 De technologie van de discipline wordt in de loop van de negentiende
eeuw steeds meer ingezet door verschillende instellingen, naast de gevangenis
ook de school en het leger. Bij deze gesloten instellingen begint de ontwikkeling
die uitmondt in een oneindig verbreidend panoptisme. Deze ontwikkeling
heeft geleid tot een disciplinerende samenleving.
34 Die samenleving is het
omgekeerde van het klassieke schouwspel van de strafexecutie. Terwijl er
daar een misdadiger wordt tentoongesteld aan eenieder, wordt in de disciplinerende
samenleving eenieder tentoongesteld aan een enkeling. De particulieren
staan aan de ene en de staat aan de andere kant. Het is niet het schouwspel
dat centraal staat, maar het toezicht.
3.2 de formele rol van de samenleving
Op het moment dat de monarch gedwongen wordt afstand te nemen van zijn
troon en van zijn invloed in het strafproces, verschuift de noodzaak te
straffen. Met die noodzaak verschuift ook de vorm die de straf aanneemt.
De wraak van de vorst geeft niet meer het recht om te straffen; dit recht
vloeit voort uit de verdediging van de samenleving. De samenleving
heeft de souvereiniteit van de vorst overgenomen. De hervorming van het
strafrecht gaat gepaard met een herindeling van de macht. Nu de macht niet
meer bij de souverein ligt, wordt deze geacht bij de burger te liggen.
Die burger wordt verondersteld om met de wetten van de maatschappij
ook de wet te hebben aanvaard die hem met straffen dreigt.
35
De misdadiger krijgt daarmee ten opzichte van de samenleving een ¨paradoxale
status¨, aldus Foucault.
36 De misdadiger wordt de vijand van de
gehele samenleving door de wet, die hij aanvaard zou moeten hebben, te schenden.
Tegelijkertijd wordt hij in de samenleving opgenomen doordat hij instemt
met de straf die hij daarvoor krijgt opgelegd. De misdadiger wordt tegelijk
buiten de maatschappij geplaatst en erin teruggedwongen. De samenleving
heeft een absoluut recht over degene die zich ervan buitensluit.
37
Formeel is de invloed van de samenleving in het strafrecht groot. De
samenleving vaardigt wetten uit waar individuen zich aan moet houden. Zij
die zich er niet aan houden worden door de samenleving uit hun midden geplaatst,
om ze onmiddellijk weer op te nemen. De schending abnormaliseert de dader
terwijl de dader zijn plaats krijgt toegewezen in de samenleving
door hem een straf op te leggen. De formele macht van de samenleving
is gedefiniëerd in de theorie van het maatschappelijk verdrag. Het
verdrag is sinds de Franse Revolutie de juridische fictie die de mens de
straffende macht heeft leren accepteren. Het individu heeft zelf de straf
(fictief) bepaald en moet zich er daarom (niet fictief) aan onderwerpen.
Het individu heeft als samenleving een grote invloed, maar per individu
is die invloed aanzienlijk minder. De discipline die zich boven zijn hoofd
voltrekt parcelleert het individu. De discipline splitst het individu
van de samenleving, waardoor de formele macht wordt ingeperkt. Hierover
gaat de volgende paragraaf.
3.3 de informele invloed van de samenleving
De formele rol van de samenleving in het strafproces is drieledig. De samenleving
is zowel degene die getroffen is door de misdaad, als degene die gesteld
heeft wat de misdaad is. Daarenboven heeft de samenleving ook bepaald dat
men voor een dergelijke misdaad de gevangenis in moet. De informele rol
van de samenleving wordt beperkt door de discipline in het algemeen en
de gevangenis in het bijzonder. Zodra de dader in de gevangenis terechtkomt,
heeft de samenleving niets over het lot van de gevangene te zeggen. De
gedetineerde is uitgeleverd aan het disciplinaire regime van de gevangenis.
De samenleving wordt door disciplinaire technieken buitengesloten van de
gedetineerde. De gedetineerde wordt door dezelfde techieken afgesloten
van de samenleving.
Zoals gezegd beperkt de discipline in het algemeen de formele invloed
van de samenleving. De discipline geeft een praktische uitwerking aan het
formele kader van het maatsschappelijk verdrag, dat bepaalt dat de souvereiniteit
bij het volk ligt. Het sociaal contract is het theoretisch fundament van
het recht en de politieke macht. In de praktijk worden recht en politieke
macht geleid door het panoptisme. "Terwijl formeel het systeem van representatie
indirect of direct, met of zonder tussenkomst de algemene wil tot fundamentele
souvereine instantie verheft, waarborgt de discipline de onderwerping van
lichamen en krachten aan de basis".
38Daarmee functioneeert de discipline
tegengesteld aan het formele kader van het verdrag.
Hierom kan de discipline ook niet worden beschouwd als een recht maar
als een contra-recht. De discipline schept dwangverhoudingen tussen individuen
die principieel verschillen van de contractuele verplichting.
39 Ten
eerste wordt het sociaal contract systematisch ontdoken, zodra er een disciplinerend
mechanisme in het geding is. Dit geschiedt door het reglementair opleggen
van de ongelijke positie van verschillende partners. Ten tweede worden
individuen volgens een bepaalde schaal verdeeld, gerangschikt volgens een
norm, en zonodig uitgesloten; terwijl men formeel de rechtssubjecten kwalificeert
volgens universele normen die deze machtsuitoefening lijkt te begrenzen.
De discipline, met de gevangenis als een van haar methoden, is daarmee
de praktische basis van de samenleving en haar evenwicht.
De gevangenis is niet alleen gezien als een disciplinaire methode, maar
omvat al vanaf het begin van de negentiende eeuw het idee dat individuen
technisch getransformeerd moeten worden.
41Foucault citeert Réal
die opmerkt dat: "de straf [...] de genoegdoening [is] voor de misdaad, maar
ze streeft ook de verbetering van de schuldige na" .
42 Foucault signaleert dat de gevangenis niet bijdraagt aan een vermindering
van de criminaliteit en dat er dus van de gevangenis geen corrigerende
werking uitgaat. In concreto houdt dit in dat detentie leidt tot recidive
en de organisatie van een milieu van criminelen vergemakkelijkt, dat de
vrijgelaten veroordeelde in de samenleving tegen een voortzetting van de
straf aanloopt en dat de gevangenis indirect delinquenten produceert door
het gezin van de gedetineerde in de ellende te storten.
43Toch
blijft de samenleving terugkeren naar de principes van detentie, omdat
hervormingen die zich door deze kritiek gesteund wisten, al sinds de opkomst
van de gevangenis ofwel geen grond vonden ofwel niet succesvol werden
uitgevoerd. Het falen van de gevangenis als mensverbeteraar gaat vergezeld
van het behoud van de gevangenis en het vasthouden aan het idee dat de
gevangenis een mensverbeteraar moet zijn.
44 Foucault vraagt zich hierom af waartoe al dit falen dient. Het nut
zit in het openlijk cynisme van de gevangenis die het leven van degene
die eens gedetineerd is, voorgoed brandmerkt. Foucault ziet het falen van
het therapeutische karakter van de detentie als een logisch gevolg van
het disciplinaire karakter van de straf. Straffen zijn niet om overtredingen
te bestrijden maar om individuen te onderscheiden, in te delen en te gebruiken.
De wetsovertreding wordt ingepast in een algehele disciplinaire tactiek
van onderwerping. Bezien vanuit disciplinair oogpunt is de gevangenisstraf
juist zeer succesvol. De straf onderwerpt indivividuen binnen de poorten
van de gevangenis door ze te verdelen en te gebruiken maar ook de individuen
buiten de gevangenis door hun aan te merken als zodanig en ze hierarchisch
boven de misdadigers te plaatsen.
De therapeutische werking die er dus niet is, kan min of meer als een
goedmakertje worden beschouwd. De vermeende corrigerende werking is een
verhaal om aan de rest van de samenleving te verkopen dat enkelen onder
hen onder het gevangenisregime worden gesteld. Het verklaart de buitengewone
duurzaamheid van de gevangenis, ondanks dat deze al vanaf het begin bekritiseerd
wordt."Was ze alleen maar een instrument om te verstoten of te vernietigen
in dienst van een staatsapparaat, dan had men gemakkelijker haar al te
opzichtige aspecten kunnen veranderen of een aanvaardbaar substituut kunnen
vinden."
45
4 conclusie
Net als in de Klassieke tijd lopen in de Moderne tijd de formele en de
informele rol van het volk en de samenleving in het strafproces uiteen.
De wijze waarop de rol van het volk uiteenloopt, is echter tegengesteld.
Terwijl in de Klassieke tijd de formele rol beperkt was en informele rol
van het volk groot, is in de Moderne tijd de formele rol groot en
de informele rol beperkt.
Er is nog een verschil tussen de rol van volk/samenleving in de Klassieke
en de Moderne Tijd. In de Klassieke tijd lijkt de informele macht van het
volk voort te vloeien uit de formele macht die het is toebedeeld. Formeel
heeft het volk immers geen macht, slechts de plicht om de souvereiniteit
van de vorst te ondergaan. Het volk is verplicht de voltrekking van vonnissen
te aanschouwen en buit dat uit door met oproer de overhand te nemen in
de strafoplegging.
In de Moderne tijd is de formele macht niet alleen beperkt door de
discipline, maar is de discipline er in zekere zin tegengesteld aan. De
discipline is een contra-recht dat niets te maken heeft met het formele
maatschappelijke verdrag tussen gelijke personen. Het leidt eerder tot
opgelegde, ongelijke verhoudingen tussen individuen.
Eindhoven, 17-6-2003
Mail de auteur: saskia.ploeg(apestaartje)student(punt)uva(punt)nl
Noten
1 Foucault 2001, p. 51. 2 Foucault 2001, p. 63. 3 Foucault 2001, p. 64. 4 Foucault 2001, p. 65. 5 Foucault 2001, p. 65. 6 Foucault 2001, p. 82. 7 Foucault 2001, p. 84. 8 Foucault 2001, p. 84. 9 Foucault 2001, p. 85. 10 Foucault 2001, p. 85. 11 Foucault 2001, p. 69. 12 Foucault 2001, p. 69 Foucault citeert Risi 1768, p. 9. 13 Foucault 2001, p. 70. 14 Foucault 2001, p. 83. 15 Foucault 2001, p. 84. 16 Foucault 2001, p. 70. 17 Foucault 2001, p. 71. 18 Foucault 2001, p. 97. 19 Foucault 2001, p. 85. 20 Foucault 2001, p. 67. 21 Foucault 2001, p. 67. 22 Foucault 2001, p. 102. 23 Foucault 2001, p. 165. 24 Foucault 2001, p. 166. 25 Foucault 2001, p. 355. 26 Foucault 2001, p. 355 e.v. 27 Foucault citeert dit uit: Gazette des tribunaux, IX 1836, nr. 3381, 18/19 juli, p. 833. 28 Foucault 2001, p. 373. 29 Foucault 2001, p. 373. 30 Foucault 2001, p. 374. 31 Foucault 2001, p. 375. 32 Foucault 2001, p. 206. 33 Foucault 2001, p. 207. 34 Foucault 2001, p. 126. 35 Foucault 2001, p. 125. 36 Foucault 2001, p. 125. 37 Foucault 2001, p. 125. 38 Foucault 2001, p. 305, 306. 39 Foucault 2001, p. 306. 40 Foucault 2001, p. 307. 41 Foucault 2001, p. 319. 42 Foucault 2001, p. 320. 43 Foucault 2001, p. 367 e.v. 44 Foucault 2001, p. 377. 45 Foucault 2001, p. 426.