Als je maar gelukkig bent

In een verder prima Tegenlicht-aflevering kwamen mensen aan het woord die meenden dat niet alles om geld draaide. Dat lijkt een evidentie. Geld is een middel maar we zien het als doel. Hun alternatieve theorie was niet geld maar geluk. Geluk is ons doel. Ik moest er haast van overgeven. Het ging allemaal om happiness. Op het bord waarop ze gebrainstormd hadden stond achter met hoofdletters “no advice”. Hoe exemplarisch voor wat er allemaal mis gaat.

Dat idee dat alles draait om geluk is helemaal niet nieuw. Het is juist een van de pijlers onder onze huidige economie.  Dat is het utilistische principe. Utilisme is een stroming bedacht door de rechtsfilosoof Jeremy Bentham. The greatest happiness for the greatest number Je doet wat je gelukkig maakt. En daar betaal je geld voor. Dat wat je het meest gelukkig maakt, daar geef je het meeste geld aan uit. Dat kreeg navolging van John Stuart Mill en nog veel anderen. Onze politieke economie van liberaal hedonisme is direct hierop te herleiden.

Als je maar gelukkig bent. Dat is wat je ook merkt als je een Amerikaanse hamburgerketen in loopt. Als jij, de hamburgerkoper, maar gelukkig bent. Daarom staat er iemand die je hamburgers bakt, verplicht te glimlachen. Want owee als je niet helemaal tevreden bent en de zaak uitrent. Daarom is de prijs zo laag dat je hamburger is gemaakt van ezelsoren en zit er zo veel suiker bij dat je dit niet hoeft te proeven. Zodat je heel gelukkig kan worden van je hamburger.

Leven is niet alleen maar hollen van geluk naar geluk. Er komt ongelooflijk veel ongeluk aan te pas. Je vrienden laten je in de steek. Je ouders worden ziek, gaan dood. Je broer en je zus gaan dood. Jij gaat dood. En tussendoor voor de afwisseling nog mislukte liefdes, ontslagen en dat je je aan het papier snijdt met je vinger. In willekeurige volgorde.

En dan heb je nog “geluk”. Dan ben je verwend. Voor een onbekend aantal mensen is het nog oneindig veel erger, die hebben jaren om hun mening in een gevangenis gezeten, zijn als kind mishandeld, zijn uitgehongerd, als slaaf ingezet, hebben van hun tiende tot hun 30e gewerkt in een steengroeve of op een vuilnisbelt, als prostituée achter de ramen gezet en iedere dag met een zweep bewerkt en dan durf jij te klagen over dat je je aan het papier hebt gesneden met je vinger en dat je zo veel geld moet betalen voor de kinderopvang.

Ongeluk hoort er ook bij. Een substantiëel deel van ieders leven is ongeluk. Maar dat heeft geen economische waarde. Economische waarde is alles wat jou gelukkig maakt. Dat zijn dus vingerhoedjes zodat je je niet hoeft te snijden aan het papier. Maar de doden tot leven wekken, daar is nog geen product voor op de markt.

De markt ligt flink onderuit. Iedereen moet het met minder doen. Nu zien de mensen waar het in het leven om gaat en blijkbaar is dat voor velen dat ze gelukkig zijn. Want ze zijn hun baan kwijt en hun liefde en hun gezondheid en dan zouden ze toch in elk geval dat baantje graag terughebben, dan komt de liefde ook wel weer vanzelf en die kan je dan fijn komen verplegen.

Ongeluk wordt uit onze samenleving weggeredeneerd. We hebben het er niet over. “Sja… vervelend”.  Het past niet, in een samenleving die alleen draait om de economie en verder waardevrij is. Je mag een dagje vrij. Of als je zoontje van 7 onder een auto is gekomen, zelfs wel twee dagen. Joepiedepoepie. Medelijden, hulp, compassie, begrip, troost, alles wat je verwacht als alles je ontvallen is, dat hoeft er niet te zijn. En daarom is het er ook niet.

Dit is ook een van de grootste problemen waar holocaust slachtoffers tegenaan moeten hebben gelopen in de tijd dat zij terugkwamen en het leven van alledag weer begon. Zonder een buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen hadden ze gewoon in hetzelfde ritme meegedraaid. Je hebt net zo ongeveer het ergste van de wereld doorgemaakt en iedereen haalt zijn schouders op, niemand voelt zich verantwoordelijk om jou te huisvesten. Jij moet je aanpassen aan de burgermaatschappij. Maar de burgermaatschappij hoeft blijkbaar niets.

Dat is ook een van de dingen die het meest opvalt, in het verhaal van Sobibor-overlevende Jules Schelvis. Hij wordt gerepatriëerd. Hij is zijn huis kwijt, zijn baan kwijt, zijn familie kwijt. Als hij over de grens komt, krijgt hij Nederlands eten en spelen ze het Wilhelmus. Dat deed hem toch wel wat, al was het dan van de verkeerde kleur. Maar dat was het dan ook. Meer staatsbemoeienis was er niet.

Misschien is er nog wel ergens een tante. Maar je weet het niet. En je weet niet waar. Er is geen overheid die zich om je bekommert, geen bestuurder die zich je lot aantrekt. De hardvochtigheid van een samenleving, die je uit onverschilligheid nog een navordering stuurt van de periode dat je geen huur of rioolbelasting hebt betaald omdat je huis leeg stond terwijl je in Dohorucza tewerk gesteld was. “Wij hadden het ook moeilijk”.

Hebben we daar niets van geleerd? Decennia erna komt deze ellende nog aan het licht. Teruggekeerde holocaust-slachtoffers die voor de oorlog huiseigenaar waren, zijn door de gemeente lastiggevallen met erfpacht. Dat was achteraf gezien, anno nu, toch eigenlijk wel grof, maar blijkbaar konden we daar eerder, in 1946, geen aandacht voor opbrengen. We hadden het toen zelf al moeilijk genoeg.

Hierin passen de woorden “no advice”. Het is namelijk vaak geen kwade onwil waaruit mensen een erfpachtrekening naar eender wie versturen. Het is een gebrek aan aandacht. Maar dat aandacht is er niet zomaar niet. Van luisteren naar advies word je heel ongelukkig. Je wil iets doen op een bepaalde manier, maar iemand zegt je dat je dat “beter niet (zo) kan doen”. Wat? Horen we daar een nee? Daar trekken we ons niets van aan. We sturen rekeningen naar wie we willen. Wij moeten ook leven. Het gaat ook om ons geluk. Ja maar? Omdenken!

In het vluchtelingenprobleem dat door de oorlog in Syrië is ontstaan, zien we zelfs enige medemenselijkheid terugkomen. Mensen luisteren naar elkaar. Vluchtelingen worden opgezocht en mensen in de nabije omgeving worden aangespoord er aandacht voor te hebben. Mensen zetten zelf organisaties op touw om spullen te regelen.

In Amsterdam dan. op mijn Facebook-groepje. Ik weet niet of het in de massale opvang in Nijmegen ook zo gaat. Nou is het erg gemakkelijk om je daar aan te onttrekken. Ik ken niemand uit Nijmegen en als het daar verkeerd gaat, moeten de mensen in Nijmegen maar aan de bel trekken. Spullen geven is ook veel gemakkelijker dan iemand je aandacht doneren. Het is ook veel gemakkelijker om te oordelen dat iemand een “gelukszoeker” is en dat je hem daarom niet hoeft te helpen.

Tot de dag dat je met je scherpe oordelen zelf in een bejaardentehuis ligt, in een pamper, omdat niemand je naar de w.c. kan brengen. Dat maakt ons als samenlevDSCF5386ing namelijk heel gelukkig. Dat we daar, als samenleving niet al te veel geld aan hoeven uitgeven. Zo blijft er nog belasting over voor een tienbaans-snelweg onder Diemen.

We zoeken allemaal geluk, toch. Dat was het idee van onze waardenvrije samenleving? Daar draait het toch om?

Zie ook: 

Interview 17,
http://www.getuigenverhalen.nl/projecten/late-gevolgen-van-sobibor-interviews-met-nabestaanden-en-overlevenden

×
%d bloggers liken dit: